

Vanaf de 14e eeuw werd het veenpakket afgegraven. Het afgegraven veen is ook bekend als turf: een van de belangrijkste brandstoffen in die tijd. Voor de turfwinning werden turfvaarten, turfhavens en veendijken aangelegd. Dit veranderde het landschap drastisch. Met de turfwinning viel ook veel geld te verdienen. Dit trok zowel ondernemers als werkkrachten aan. Hierdoor ontstonden grote verschillen tussen arm en rijk, en ook conflicten over het eigendom van de ontginningsgebieden en turfpercelen.
Door de turfwinning en inklinking van het veen kwam het maaiveld steeds lager te liggen.
Een vormende ramp
Tijdens de St. Elizabethvloed in 1421 liep het zoute zeewater vanuit de Grote Waard in het noorden via de turfvaarten de Westelijk Langstraat in. Hierdoor ontstond een groot gebied waar zoet en zout water gemengd werden (een estuarium). Door deze stroming vanuit zee werd er ook klei afgezet in het gebied. Dit bodemprofiel van klei op veen op zand dat in dit estuarium is ontstaan, komt maar op een paar plekken in Nederland voor.
De Sint-Elisabethsvloed van 1421 heeft er voor gezorgd dat er een fysieke scheiding kwam in het zuiden van Graafschap Holland. De rivaliserende handelssteden Geertruidenberg en Dordrecht verloren een directe verbinding over land. Tussen de Brabantse kleipolders en de stad Geertruidenberg lagen de heerlijkheden Hooge en Lage Zwaluwe en Klundert. Deze plaatsen waren net als Geertruidenberg Hollands gebied maar worden vaak bij de streek de Westhoek ingedeeld. Een zuidelijk deel van Holland was na de Sint-Elisabethsvloed van de rest van het graafschap geïsoleerd geraakt.
Na de St. Elizabethvloed begon men met het versterken van het dijken. De voortdurende wateroverlast zorgde nog wel af en toe voor dijkdoorbraken. Hierdoor zijn overgebleven meertjes, zogenaamde wielen, achter de Winterdijk ontstaan.
Komst van de Langhe Straet
“De Langhe Straet”, zoals het vroeger heette, was oorspronkelijk een dijk door een moerassig landschap tussen het Oude Maasje en de hoger gelegen Brabantse zandgronden. In een oorkonde van 6 april 1422 wordt door de Graaf van Holland (Jan van Beyeren) bevolen dat moest worden begonnen met het aanleggen van een dijk van Geertruidenberg naar het oosten door De Langstraat. Het duurde nog tot 1461 dat een primitief dijkje werd gelegd van Geertruidenberg naar Baardwijk. Waren voordien de plaatsen tussen Geertruidenberg en Waalwijk nog niet rechtstreeks met elkaar verbonden, door de aanleg van deze dijk of weg werd de grondslag gelegd van hetgeen men omstreeks 1461 met de naam “De Langhe Straet” begon aan te duiden. We kennen deze dijk nu als de Winterdijk. Dat was feitelijk het begin van De Langstraat. Langs deze dijk ontstonden nieuwe Hollandse en Brabantse nederzettingen. Sommige van deze nederzettingen waren door de vloed verdwenen, werden verplaatst zuidelijk van de dijk.
De Langstraat belande aan het grensgebied van Graafschap Holland en Hertogdom Brabant. Ze werden uiteengescheurd en onderverdeeld onder de twee landen:
Graafschap Holland | Hertogdom Brabant |
---|---|
Raamsdonk | Raamsdonksveer |
Waspik | Dongen |
Capelle | Sprang |
Labbegat | Nieuwkuijk |
Besoijen | Waalwijk |
Baardwijk | Drunen |
Onsenoort | |
Kaatsheuvel | |
Loon op Zand | |
's-Gravenmoer |
In de dorpen onder Hertogdom Brabant was het ambacht van het leerlooien en schoenmaken verweven met veehouderij. Door het belangrijke aandeel dat deze dorpen hadden in de schoenindustrie werden zij ook gerekend tot De Langstraat, ondanks het feit dat ze niet aan de dijk liggen.